Welkom! Bij Het Gooi Bevrijd!!
 

Baarn en omstreken

Op 10 mei 1940 rond 04.00 uur vliegen Duitse vliegtuigen op grote hoogte boven Baarn. Bij het begin van de oorlog is Baarnaar Leendert Jan Beerschoten op 10 mei al gesneuveld in Den Helder. Hij was korporaal-radiotelegrafist bij de Afdeling 1e JAVA op vliegveld de Kooij en sneuvelde door toedoen van de mitraillerende Bf-109’s vliegtuigen van de Duitsers. Hij is begraven op de nieuwe Algemene Begraafplaats hier in Baarn, vak 18 nummer 6.

Op 11 mei 1940 wordt een Baarnse inwoner G. Aartsen vermist. Hij deed dienst als Rode Kruis soldaat op een Rijnaak met gewonden, die door een bom werd getroffen. Zijn lichaam bevond zich in het ruim van een schip dat pas 10 maanden later gelicht werd (10-2-1941).

4 juni 1940 ontstaat een brand in een boerderij op de Lage Vuursche, vermoedelijk veroorzaakt door een afgeworpen brandbom uit een vliegtuig.

18 augustus 1940 worden vlugschriften vanuit en Engels vliegtuig afgeworpen. Wim van Helden Baarnaar Wilhelmus Marcus (roepnaam Wim) van Helden heeft dienst gedaan bij de RAF. Voor het uitbreken van de oorlog woonde hij in Baarn. Zijn vader was directeur-eigenaar van de handelsonderneming ’Heldenia’. In 1941 besloot Wim naar Engeland te vluchten. In juli van dat jaar vertrok hij met een aantal metgezellen uit Nederland. Een tocht van vele maanden, waarbij hij meerdere keren werd gearresteerd, maar telkens wist hij te ontsnappen. Via België en Frankrijk bereikte de jonge Engelandvaarder na enige tijd Spanje. In Barcelona ging Van Helden aan boord van een schip dat Curaçao als eindbestemming had. Bij het passeren van Gibraltar sprong Van Helden overboord en werd opgepikt door een Britse patrouilleboot. Via de Britse kroonkolonie bereikte hij uiteindelijk op 20 juni 1942 Groot-Brittannië. Hier opteerde hij voor dienstneming in de RAF als vlieger. In de tweede helft van 1942 begon hij zijn opleiding die voor een groot deel in Canada plaatsvond. Van Helden werd in maart 1944 gebrevetteerd en aangesteld als sergeant-vlieger. Na terugkeer in Europa meldde hij zich in januari 1945 bij het 127 Squadron op het vliegveld Woensdrecht. Met deze Britse eenheid, die was uitgerust met de Spitfire Mk-XVI jachtbommenwerper, vloog hij zijn eerste oorlogsmissies boven bezet Nederland en Duitsland zoals te zien is in bijgaand overzicht. Talloze malen vloog hij over ons land, niet wetend over het lot van zijn broers, Jaap en Freek, beiden actief bij de Ondergrondse. Beiden zijn in het voorjaar van 1944 gearresteerd en in concentratiekamp Vught beland. Jaap is daar 28 augustus gefusilleerd, Freek werd naar Duitsland gebracht, naar het kamp Oraniënburg. Via andere kampen belandde hij in Neuengamme, waar hij begin februari 1945 aan de ontberingen is overleden. Tijdens een van deze operaties wist hij zich ternauwernood het vege lijf te redden. Op 2 februari 1945 werd zijn toestel zwaar beschadigd door Duits luchtafweer en was hij genoodzaakt een noodlanding te maken in bevrijd gebied. Van Helden zelf raakte hierbij licht gewond. Eind maart 1945 werd hij overgeplaatst naar het 322 (Dutch) Squadron. Bij de Nederlandse eenheid maakte hij de bevrijding mee. Na de bevrijding kwam Wim levend en wel in Baarn terug. Hij overleed in 1975.

3-4 april 1943 werd in Baarn en omgeving pakketten met Duits papiergeld en blauwe Urlaubmarken uit een Engels vliegtuig afgeworpen. Een ingesteld onderzoek leverde geen resultaat op.


Luchtfoto van 15 maart 1945 waar Paleis Soestdijk
en de Naald duidelijk op te zien is.

12/13 mei 1943 stort in Eemnes een Engels vliegtuig (Lancaster 83 Sqn.) neer. De bemanning bestond uit L.A. Rickinson (Piloot), D.B. Bourne (Boord mecano), H.D.R. Ransome (Navigator), T.R. Cairns (Bommenrichter), W.L. Gibbs (Radio-telegrafist), H. Plant (Midden boven schutter) en S.A. Hathaway (Staartschutter). Vertrokken om 00:23 van Graveley voor een missie op Duisburg, neergeschoten door een nachtjager en neergestort bij Eemnes. Vijf man waren van de RAF en twee (Gibbs en Ransome) van de RAAF oftewel Australiërs (Royal Australian Air Force). De navigator Ransome van de RAAF was de enige overlevende en  werd gevangen genomen. De zes doden liggen begraven in Amersfoort. 15 mei 1943 maakt een Duits vliegtuig een noodlanding. Ook op 18 mei 1943 maakt een Duits vliegtuig een noodlanding op de grens van Baarn en Bunschoten.

7 juli 1943 komt op de Zandvoortweg uit een ballon een fles fosfor neer. Een vliegtuig werpt aan een parachute enige flessen fosfor af. 20 oktober 1943 valt in de omgeving van het station een voorwerp uit een Engels vliegtuig, dat echter niet wordt gevonden.

25 november 1943 is er in de bomen achter Paleis Soestdijk een parachute neergekomen, die werd opgeborgen door tuinbaas C. v.d. Brink. Dat was niet naar de zin van de Duitsers. Van den Brink werd opgepakt en opgesloten in een bunker in Amersfoort. Daar kreeg hij 2 dagen geen eten en werd hij slecht behandeld. Op 9 december werd hij weer in vrijheid gesteld.

30 januari 1944 stortte een B-24 93 BG bij Bunschoten neer. Vier inzittenden werden gevangen genomen, zes zijn ontsnapt.

20 februari 1944 stortte een viermotorige Lancaster bommenwerper brandend neer in de Eemnesser polder. Die nacht voerden de geallieerden een groot bombardement uit op de Duitse stad Leipzig. De nacht eindigt in een catastrofe.  Net als zijn makkers is sergeant Humphrey Hughes net nieuw bij het 156ste Squadron van de RAF Pathfinders. Tijdens het bombardement op Leipzig is Hughes telegrafist in de Avro Lancaster JA921 ’Q for Queenie’. Het gezelschap aan boord is een verzameling jonge militairen uit Groot-Brittannië en Canada. Hughes komt uit Wales. Zijn bemanningsleden noemen hem ’Taffy’, een bijnaam voor een Welshman. Met 4500 kilo aan bommen aan boord vliegt de Avro Lancaster naar Leipzig. Rond half drie bereiken ze hun doel en werpen ze de bommen af. Op de terugweg gaat het fout. Nabij Osnabrück, hemelsbreed ongeveer zestig kilometer ten oosten van de Nederlandse grens, wordt de bommenwerper geraakt door een luchtafweergranaat. Deze drukt het vliegtuig honderden meters de lucht in. Alles lijkt het nog te doen, tot ze er even na vijf uur boven de voormalige Zuiderzee achterkomen dat de buitenste motor van de linkervleugel in brand staat. Wat de bemanning ook probeert, het vuur dooft niet. Bij Eemnes besluiten ze rondjes boven een weiland te vliegen zodat ze er met parachute uit kunnen springen. Op het moment dat de zijluiken worden geopend, breekt een deel van de linkervleugel af. Het vliegtuig is onbestuurbaar. Rond half zes boort de bommenwerper zich in de grond van een weiland tussen de Anna Louwenweg en de Zuid Ervenweg.


Bemanning Lancaster JA921 van het 156ste Squadron

Een bemanningslid weet nog uit het vliegtuig te ontkomen voordat het de grond raakt: de Canadees Eddy Kryskow die in Eemnes onderdak vond en vijftien maanden lang van het ene adres naar het andere is verhuisd. De rest overleeft het niet. Vijf van hen liggen begraven op begraafplaats De Rusthof in Amersfoort. Eén lichaam blijkt onvindbaar: Humphrey Watkin Hughes. 15 maart 1944 maakt een tweemotorig Canadees/Amerikaans jachtvliegtuig (Lockheed Lightning) een noodlanding in de polder, niet zo ver van de Eembrug. De piloot (Captain Richard M. Scott, USAAF) zag kans te ontsnappen, en na de oorlog werd bekend dat hij al die tijd ’ondergedoken’ was geweest bij de familie De Ruig (van de badinrichting Tijmen de Ruig, aan de Eem bij Baarn). Captain Scott vloog als jachtvlieger bij de United States Army Air Force (USAAF), de Amerikaanse Leger Luchtmacht, vanuit Engeland op doelen in Duitsland en bezet gebied. Op 15 maart 1944 was Scott, ingedeeld bij het 385ste Fighter Squadron van de 364ste Fighter Group, piloot van de Lockheed P-38 Lightning met serienummer 42-68062, opgestegen vanaf het vliegveld Honington in Engeland voor een escortevlucht naar Brunswick in Duitsland, waar militaire installaties werden gebombardeerd door de bommenwerpers van de USAAF. De Lockheed P-38 Lightning was een tweemotorige jager met een dubbele staart en leek veel op de Nederlandse Fokker G-l die in de mei-dagen van 1940 vloog. Captain Scott leidde een groep van vier P-38’s. Boven het doel werd het toestel van Scott geraakt door luchtafweer. Het toestel was wel beschadigd, maar kon in de lucht blijven. Hij wijzigde zijn koers om terug te keren naar Engeland. Ergens boven Midden-Nederland ontstond, mogelijk door de beschadiging, brand en hij was gedwongen een noodlanding te maken. Scott schrijft: ’Na de noodlanding met mijn brandende vliegtuig, rende ik zo snel en zo ver als ik kon om weg te komen van de plaats van het ongeval. Niet lang daarna bood een Hollandse jongeman mij aan te helpen. We liepen naar de oever van een kleine rivier. Hij floot naar vrienden aan de overkant, die de rivier overstaken en mij naar de andere kant brachten. Het staat mij niet meer duidelijk voor de geest, maar op een bepaald tijdstip verborg deze jongeman mij in een kleine schuur, die het allergrootste varken dat ik ooit gezien heb, bevatte. Daarna haalde hij de eigenaar van de boerderij op. Ik werd met groot enthousiasme begroet door hem, zijn vrouw en hun kinderen. Ik vroeg om burgerkleding en bood in ruil mijn vliegerslaarzen aan. Ze gaven me een tweedelige overall, gemaakt van blauwe stof, die ik over mijn vliegerskleding aantrok. (Om je de waarheid te zeggen, ik zag er nogal belachelijk uit, omdat ik ongeveer 1.86 meter lang ben en deze kleren gemaakt waren voor een klein persoon). Ik denk dat het na het bezoek aan de boerderij was, dat ik opnieuw over de rivier gebracht werd en verborgen werd in een botenhuis, van het type waarin wedstrijdboten opgeborgen worden. Gedurende enkele uren verbleef ik helemaal alleen in het botenhuis. Na het invallen van de duisternis werd ik op een kar, verstopt onder takkenbossen, naar het dorp Baarn gebracht. De man die mij op kwam halen was Jan Langelaan. Ik verbleef een dag bij hem en zijn vrouw en werd daarna naar Bilthoven gebracht.’ Na diverse verplaatsingen werd hij uiteindelijk toch nog gevangen genomen en trachtte tot driemaal toe te ontsnappen. De eerste twee pogingen mislukten en binnen 6 á 7 dagen werd hij weer gearresteerd. Bij de derde poging liep hij op 17 april 1945 tegen een eenheid van de US Army Infantry aan. Na de oorlog werd hij testvlieger. 26 maart 1944 was er voor het eerst een luchtalarm. 8 juni 1944 werd een Duitse militaire auto nabij Groeneveld vanuit een Engels vliegtuig beschoten. Op 16 september 1944 heeft er ook een luchtaanval plaatsgevonden op een Duitse militaire auto waarbij drie doden vielen, en bij Groeneveld werd eveneens een auto beschoten, waarbij enkele inzittenden werden gewond. 17 september 1944 was er van 14.10-15.10 uur luchtalarm, voor tijdens en na dit alarm vlogen geallieerde vliegtuigen boven ons dorp, waarbij met boordwapens werd geschoten. Nabij het pompstation van de waterleiding werd een trein geraakt, waarbij enkele inzittenden werden getroffen. In WO2 was het onvermijdelijk dat ook doelen in Nederland zoals havens, werven, schepen, vervoer over water, weg en spoor, industrie etc. die door de Duitsers gebruikt konden worden voor hun oorlogsvoering, moesten worden aangevallen. In het begin voornamelijk in het westen van het land, maar naarmate er andere types vliegtuigen beschikbaar kwamen, zoals de Mosquito, ook industrie-doelen in het oosten. In Engeland was men zich bij de RAF evenwel bewust dat in de door de Duitsers bezette gebieden ’vrienden’ woonden en probeerde men zo veel mogelijk burgerslachtoffers te vermijden, maar helaas was dit niet altijd mogelijk. Mede ook omdat de Duitsers vaak militaire installaties in en/of vlak bij steden en dorpen hadden. Wel gold in die tijd t.a.v. alle Nederlandse spoor- en waterwegen dat wanneer aanvallen werden gedaan op treinen en schepen, die meestal werden uitgevoerd door jachtvliegtuigen met boordwapens en/of raketten en lieten deze, behoudens eventueel kapotte locs en/of gezonken schepen, geen gevaarlijk te achten explosieven achter. Industriesteden, veelal gelegen aan spoor- en waterwegen waren ook vaak het doelwit van luchtaanvallen met bommen en hetzelfde gold later ook voor de spoorwegen om de lijnen te kunnen onderbreken omdat ze konden en werden gebruikt voor vervoer van zaken van belang voor de Duitse oorlogsvoering, zoals munitie, tanks, geschut en dergelijke. Omdat bij treinbeschietingen veelal ook burgers om het leven konden komen, werden die in 1943 opgeschort, maar begin 1944 met het oog op de komende invasie hervat, ook in Nederland. Eind 1944 en 1945, na het mislukken van Market-Garden, toen met de spoorwegstaking iedere trein een ’Duitse trein’ werd, kwam daar nog bij het vervoer van de zgn. V-wapens, vliegende bommen en raketten, naar hun afvuurplaatsen in Nederland. Het waren lange-afstandswapens die voornamelijk werden gebruikt voor aanvallen op burgerdoelen in Engeland, zoals de City van Londen en ook de stad Antwerpen, toen aanvoerhaven van de geallieerden. Vooral in oktober 1944 werden daartoe in deze belangrijke spoorbruggen en emplacementen, waaronder bv. de bruggen bij Deventer, Zutphen en Zwolle, alsmede bv. het emplacement van Amersfoort uit de lucht aangevallen, maar aanvankelijk bleef het ook in de regio Baarn redelijk rustig.


Luchtfoto van 14 maart 1945 waarop duidelijk 2 bominslagen te zien zijn net naast de spoorbrug over de Praamgracht. Ook de Lindekom, de Naald en de begraafplaats aan de Wijkamplaan zijn herkenbaar in beeld.

De eerste keer dat Baarn in de berichtgeving werd genoemd was t.a.v. luchtaanvallen door Mosquito’s van de RAF op 6/7 oktober 1944, waarover de Duitsers meldden dat in de lijn Baarn-Amersfoort de brug over het Eemkanaal met bommen was aangevallen. In ”Baarn in oorlogstijd” wordt over een aanval op een ’brug over het Eemkanaal’ niets gezegd, wel dat er in de morgen van 6 oktober mitrailleurvuur vanuit vliegtuigen was geweest en een bom was gevallen in de Heemstralaan. Ook dat er ’s avonds hevig mitrailleurvuur was geweest vanuit een vliegtuig. Het was die dag, 6 oktober 1944 in de regio Baarn-Amersfoort nogal druk geweest in de lucht o.a. met een aanval op een olieopslagplaats ZW van Amersfoort en zodoende heel goed mogelijk dat de bom in de Heemstralaan een noodafworp is geweest. Het hevige mitrailleurvuur in de avond moet van een Mosquito zijn geweest waarvan de bemanning rapporteerde op positie Z.3303 met boordwapens een aanval te hebben gedaan op een in NW richting rijdende trein, waarbij treffers op de locomotief werden waargenomen. Deze positie Z.3303 komt vrij nauwkeurig overeen met de spoorlijn tussen Amersfoort en Amsterdam net ten ZW van Baarn.

Op 8 november 1944 zo meldde ”Baarn in oorlogstijd”  ’Bominslag nabij de spoorlijn achter het Lyceum, waarbij de geneesheer C.J. Van Mansum, wonende aan de Da Costalaan werd gewond, huizen beschadigd en zeer veel ruiten verbrijzeld. Die dag rapporteerden 12 Spitfires van No 302 (Pools) Squadron in de RAF aanvallen te hebben gedaan op station en goederenwagons op het emplacement van Amersfoort waar acht Spitfires 16 bommen afwierpen, maar geen resultaten konden waarnemen. De andere vier Spitfires wierpen 8 x 250 ponders brisant af op ’station en goederenwagons’ op positie Z.3304, een positie die op de toen gebruikte vliegkaart (1 x 250.000) vrij nauwkeurig overeen komt het station en emplacement van de Soesterlijn in Baarn. Ruim twee weken later op 25 november kwam de volgende aanval op station en emplacement van de Soesterlijn.  Die dag stond een rijtuig van de Wagon Lits met een Rode Kruisteken op het dak geschilderd langs de spoorlijn Amersfoort-Amsterdam, vlak achter de Ortskommandantur die in het Baarns Lyceum was gevestigd. De Duitsers waren druk bezig met een goederentrein bestaande uit tientallen gesloten goederenwagens via het aansluitspoor van de hoofdlijn Amersfoort-Amsterdam naar het emplacement langs de spoorlijn Baarn-Utrecht te verplaatsen, waarbij de goederentrein beurtelings werd getrokken en geduwd door een Belgische locomotief. Na anderhalf uur was de goederentrein gerangeerd op het spoor tegen de bosrand aan de Torenlaan. Rond 12.30 uur kwamen vanuit het noordwesten acht jachtbommenwerpers die elk twee 500 ponders brisant afwierpen, die op een na, alle doel troffen. Na de bommen kwamen ze terug om ook nog met boordwapens aanvallen uit te voeren. De Belgische locomotief vloog door een voltreffer in stukken in het Baarnse Bos en de wagons stonden kriskras tegen elkaar gedrukt. De resten van de ketel hingen in de bomen en de tender was 25 meter weggeslagen tegen een nabijstaand seinwachtershuis. De Rode Kruis-trein stond nog onbeschadigd op zijn plaats. Na de aanval werd het gebied door de Duitsers hermetisch afgesloten en werd de hulp ingeroepen van de lokale artsen. De trein bleek geladen met honderden gevorderde paarden, die op transport naar Duitsland stonden te wachten. Er waren veel gedode dieren en de gewonde moesten worden afgemaakt. Ook onder het Duitse personeel waren zwaar gewonden, de machinist en stoker kwamen om het leven. De Baarnsche bevolking kreeg enige dagen paardenvlees te eten. De aanval werd uitgevoerd door 8 Typhoons van No 193 Squadron RAF 2nd TAF. Zij rapporteerden het volgende: ’Trein met 15/20 wagons aangevallen op Z.3304 met 16 x 500 ponders brisant. Veel ’near misses’ (bommen die zo dicht bij het doel vielen dat ze schade konden toebrengen) en mogelijk twee voltreffers. Bij aanval met boordkanonnen een explosie, trein vernield.’ Zover deze melding. ”Baarn in oorlogstijd” noteerde: ’Om12.30 uur een trein gebombardeerd en beschoten vanuit vliegtuigen. Enige woningen beschadigd, o.a. Vondellaan 31 en enkele personen gewond. De locomotief was geheel defect’. Al met al was dit een succesvolle aanval geweest met naar verhouding vrij grote materiële schade op het emplacement van de Soesterlijn, maar waarbij de hoofdlijn van Amersfoort naar Amsterdam toch vrijwel ongeschonden bleef. Op de beschikbare foto’s is alleen ter hoogte van Vondellaan 31 enige explosieschade te zien. Vrijwel alle bommen moeten op het emplacement terecht zijn gekomen waardoor de inslagkraters door de bomen niet zijn te zien. Ruim een week later, op 3 december 1944 kwam er weer een aanval, weer door Typhoons van No 193 Squadron RAF 2nd TAF die nu rapporteerden in totaal 15 x 500 ponders brisant te hebben afgeworpen op drie verschillende posities, waarvan twee, te weten Z.328035 en Z.333028 in en/of bij Baarn. De eerste positie Z.328035 komt vrijwel overeen met de spoorwegovergang van de Torenlaan en Z.333028 met de V-vork waar de Soesterlijn bij de hoofdlijn Amersfoort-Amsterdam komt. Op de 1ste positie meldden ze 2 voltreffers op de lijn, op de 2de positie 1 voltreffer. ”Baarn in oorlogstijd” meldt hierover: ’Door afgeworpen bommen uit vliegtuigen wordt zware schade toegebracht aan woningen op de Torenlaan, Eikenboschweg en Celebesstraat. Te betreuren viel één dode, de heer J.W van de Woestijne, en meerdere gewonden’. Op een beschikbare luchtfoto genomen door een RAF verkenningsvliegtuig op 15 maart 1945 zijn inderdaad een aantal inslagen te zien bij de Torenlaan en Celebesstraat, maar geen op de hoofdlijn Amersfoort-Amsterdam. De Soesterlijn loopt ter plaatse deels door en onder bomen, maar eventuele inslagen daar zijn derhalve niet te zien. Ook bij de V-vork waar de Soesterlijn bij de hoofdlijn komt zijn wel een aantal inslagen in het veld te zien, maar ook daar geen op de spoorlijn zelf.


Foto waar het detail op aangegeven staat.


Om de Duitse troepenverplaatsingen te bemoeilijken roept de Nederlandse regering in Londen het spoorwegpersoneel op om te gaan staken. Aan die oproep wordt in toenemende mate gehoor gegeven. Als er nog iets rijdt, dan weten de Tommies (Engelse jachtvliegers) dus heel zeker: dat is militair vervoer. Zo wordt op 11 september 1944 de trein bij de Zes Woningen beschoten vanuit een vliegtuig, waarbij de machinist en de stoker werden gewond en de locomotief zwaar beschadigd raken.

18 november 1944 waren er ook luchtaanvallen.

21 november 1944 stortte een stuurloze B-24 446 BG (bemanning gesprongen) in het IJsselmeer bij het Raboes.

26 november 1944 werd er rond 21.30 een trein beschoten vanuit vliegtuigen.

24 december 1944 werd een kist met lichtkogels afgeworpen vanuit een vliegtuig op de Nic. Beetslaan.

In de nacht van 18 januari werd een trein tussen Amersfoort en Baarn beschoten. 9-10 maart 1945 was er mitrailleurvuur vanuit een vliegtuig op een groepje Duitse militairen, die op fietsen reden waarvan de verlichting niet was afgeschermd. Ook op 10-11 maart 1945 was er mitrailleurvuur vanuit en vliegtuig boven het dorp.

14 maart 1945 was er een bominslag bij de Lindekom. 2 april 1945 is er een bominslag bij boer Evers op Groeneveld en het kerkhof aan de Torenlaan.

16 april 1945 werden twee Duitse munitie-auto’s beschoten.

Op de Eemweg werd op 17 april een paard, gespannen voor een voertuig van de Duitse weermacht, door het boordwapen van een vliegtuig dodelijk getroffen en bij de Oranjeboom diezelfde dag weer auto’s en andere voertuigen, door de Duitsers gestolen door vliegtuigen beschoten, waarbij, helaas, een Nederlander gewond werd. Hoewel er hierna geen luchtaanvallen meer op emplacement en/of spoorlijn in en/of bij Baarn zijn geweest, zou Baarn toch nog op spectaculaire wijze met vliegtuigen te maken krijgen en wel op 1 en 2 mei 1945 tijdens het afwerpen van voedsel voor hongerend Nederland door de Lancasters van de RAF en de B-17’s van de USAAF. Voor de RAF ’Operatie Manna’ voor de USAAF ’Operatie Chowhound’ en het waren de B-17’s van de 100 Bomb Group van de USAAF die op 5 mei 1945 voedsel uitgooiden bij de Naald in Baarn. Zowel voor de vliegers in de ’bommenwerpers’ als voor de mensen op de grond was er geen beter afscheid van de Tweede Wereldoorlog denkbaar!

Het Duikje 

In de bossen van Lage Vuursche bij het verpleeghuis St. Elisabeth bouwden onderduikers in 1943 een schuilhut waar verschillende vliegers zoals onder andere de Engelse vliegers Sydney Hobday en Fred Sutherland die deel hebben genomen aan bombardementen op de Möhnedam, onderdak hebben gevonden. Maar ook de Baarnaars Jan Karman enBert Kleisen verbleven daar. De boel werd op 29 december 1943 verraden, maar de onderduikers werden op tijd getipt. Jan Karman (’Piet Hendriksen’) woonde in de eerste oorlogsjaren in zijn ouderlijk huis aan de Schoolstraat in Baarn. Toen hij in 1942 op last van de bezetter als rijksambtenaar werd verplicht een half jaar te dienen bij de Nederlandse Arbeidsdienst, nam hij ontslag bij de PTT. Mede op grond van zijn geloofsovertuiging was Karman fel anti-nazi. Als uitvloeisel hiervan hield hij zich in de LO-Baarn bezig met het onderbrengen van onderduikers. Tevens stencilde en verspreidde hij illegale lectuur. In opdracht van de plaatselijke RvV-groep was hij betrokken bij enkele liquidaties: op 19 mei 1943 van een opperwachtmeester der gemeentepolitie die zich in Baarn intensief bezighield met de opsporing, aanhouding en wegvoering van joden naar kamp Westerbork en op 12 oktober 1943 van een ambtenaar van de Crisis-Controle-Dienst. Bij deze laatste gebeurtenis kon hij ternauwernood ontsnappen aan arrestatie. Karman verbleef met regelmaat in Het Duikje. Op 14 januari 1944 werd hij door de Sipo in een schuilplaats in de bossen bij Bilthoven gearresteerd, op 15 februari in Soest ter dood veroordeeld en de volgende dag gefusilleerd. Op 31 december werd in Baarn Albertus Dirk (Bert) Kleisen geboren, als zoon van Gerrit Kleisen en Maria van Ruler. Vader Gerit was kleermaker had een herenmodezaak in de Laanstraat in Baarn. Het verhaal van Bert Kleisen is een droevig verhaal. In de tweede wereldoorlog maakte hij deel uit van het verzet. In de periode 1943-1944 hield Bert zich vooral bezig met de hulp aan geallieerde piloten. Op 22 augustus 1943 verloofde Bert Kleisen zich met Hannie Akkerman. Hannie woonde op dat moment op Torenlaan 64 in Baarn. Ze woonde in bij de familie Bosch. Dhr. E.J. Bosch was oprichter en directeur van Bosch en Keuning, de bekende uitgeverij die toen aan de Bremstraat in Baarn gevestigd was. Tot een huwelijk is het niet gekomen. Op 28 oktober 1944 wordt hij op de Waalsdorpervlakte gefusilleerd door de Duitsers.

 

 

Bron: http://groenegraf.nl/